'Historische stap' naar sterke Europese proptechsector

'Historische stap' naar sterke Europese proptechsector
Rudy Aernoudt, rechts op de foto, tijdens een forumdiscussie. op Mipim PropTech Europe.

De Europese Commissie en 23 nationale proptech organisaties hebben begin juli 2019 tijdens de vakbeurs Mipim PropTech Europe afspraken gemaakt die moeten leiden tot een sterkere Europese proptechsector.

PropTech House, de Europese federatie van nationale proptechorganisaties, spreekt van een ‘historische stap’ op weg naar ‘harmonisatie en standaardisatie van de Europese proptechmarkt’. De in Arnhem gevestigde Nederlandse branchevereniging ProptechNL, een initiatief van Menno Lammers, vertegenwoordigt Nederland in PropTech House.

Afgesproken is op Mipim PropTech dat er met onmiddellijke ingang een gezamenlijk onderzoek start naar alle hinderpalen die de vorming van een krachtige Europese proptechsector in de weg staan.

Garantiefonds

Verder zullen de betrokken nationale brancheorganisaties exclusief gaan participeren in een pilot die volgende maand start met een Europees garantiefonds van 300 miljoen euro als zekerheidstelling voor verschaffers van risicodragend kapitaal die in zogenoemde ‘scale-ups’ willen investeren maar huiverig zijn voor de risico's. Scale-ups zijn techbedrijven die de startfase achter zich hebben gelaten, willen doorgroeien en internationaal expanderen. Bedoeling is dat het Europese garantiefonds onderdeel wordt van het 45 miljard euro omvattende Europees investeringsprogramma om de Europese economie te versterken. Dat meerjarige investeringsprogramma moet overigens nog groen licht krijgen van het Europees Parlement.

De afspraken met de proptech sector zijn op 2 juli bekend gemaakt op de vakbeurs Mipim PropTech Europe in Parijs tijdens een ontbijtsessie van Proptech House met Rudy Aernoudt, senior econoom van de Europese Commissie.

Naar Amerika

Volgens de Belg Aernoudt is er in Europa in het algemeen voldoende risicokapitaal beschikbaar voor start-ups, maar niet voor zogenoemde ‘scale-ups’, omdat de bedragen die met dergelijke participaties gepaard gaan veel groter zijn. Noodgedwongen zoeken daarom veel Europese scale-ups hun heil in de VS in hun zoektocht naar kapitaal. Blijkens cijfers van Aernoudt vindt 45 procent van de Europese scale-ups funding aan de overzijde van de Atlantische Oceaan en vestigt zich daar uiteindelijk ook.

Aernoudt: ‘Bij investeringen in scale-ups gaat het om bedragen van zo'n 15 miljoen euro tot ongeveer 35 miljoen euro. Als je bedenkt dat het gemiddelde Europese investeringsfonds zo’n 65 miljoen euro omvat en nooit meer dan tien procent in een en hetzelfde bedrijf zal steken - dus gemiddeld 6,5 miljoen euro - dan snap je dat Europese scale-ups een probleem hebben. Een scale-up moet vier of vijf Europese fondsen overtuigen om in zijn kapitaalbehoefte te voorzien. Dat lukt vrijwel nooit.’

Volgens Aernoudt speelt het probleem in de hele EU, ‘zij het in iets minder mate in Nederland dankzij de grote pensioensector in uw land’. Bekendste voorbeeld van een geslaagde grote investering in Nederland vormt de deelname van pensioenvermogensbeheerder PGGM in het Delftse proptechbedrijf Geophy. ‘Maar ook in Nederland is er grote behoefte bij scale-ups aan risicodragend kapitaal,’ aldus de Belgische econoom. Dat de Europese Commissie kiest voor een garantiefonds en niet voor een eigen investeringsfonds is omdat er al veel publiek geld betrokken is bij investeringen in techbedrijven. 'We willen met dit garantiefonds de pensioenfondsen over de streep trekken.'

Connectiviteit databases

Wat zijn volgens Aernoudt de belangrijkste standaardisatievraagstukken die er spelen in de Europese proptechsector? ‘We moeten er in Europa vooral voor zorgen dat niet alle standaarden de facto Amerikaanse standaarden worden', zegt hij. 'Tegelijkertijd moeten we ervoor waken dat er een balans blijft bestaan tussen marktwerking en standaardisering. Standaardisering moet geen doel op zich worden, maar een middel om een obstakel in de markt weg te werken. Grootste obstakel momenteel is de connectiviteit van databases. Die spreken heel moeilijk met elkaar. Daar is een wereld te winnen.’