nieuws

NRW analyseert retailconflict Appingedam

Financieel

Brancheringsbeperkingen in een bestemmingsplan ten aanzien van detailhandel hoeven niet in strijd te zijn met de Europese Dienstenrichtlijn. Wel is er sprake van een verzwaring van de motiveringseis.

NRW analyseert retailconflict Appingedam
Woonplein Appingedam

Dat blijkt uit een analyse van NRW naar de voorlopige uitspraak die de Raad van State op 20 juni deed in de zaak Visser Vastgoed – gemeente Appingedam. De gemeente weigert op de perifere locatie Woonplein reguliere detailhandel toe te staan om de binnenstadretailers te beschermen. De NRW-commissie Overheid & Beleid heeft zich gebogen over de tussenuitspraak van de Raad van State, die volgde op het arrest van het Europees Hof eerder dit jaar.

Het Europees Hof heeft bepaald dat detailhandel moet worden aangemerkt als een ‘dienst’. Zogenoemde territoriale beperkingen daarvan zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende drie voorwaarden:

  1. Non-discriminatoir: de beperking mag geen onderscheid maken naar nationaliteit;
  2. Noodzakelijk: er moet een noodzaak zijn voor de beperking, met een aanwijsbare reden van algemeen belang;
  3. Evenredig: de beperking moet een evenredige, proportionele maatregel zijn.

In de zaak Visser Vastgoed versus gemeente Appingedam speelt de vraag of de gemeente het recht heeft om op een woonboulevard reguliere detailhandel in het bestemmingsplan uit te sluiten.

Uit de uitspraak van de Raad van State blijkt onder andere het volgende:

  • Het willen ‘beschermen van het stedelijk milieu’ is een voldoende rechtvaardiging van algemeen belang voor de brancheringsbeperking op de woonboulevard. Aan de toets van noodzakelijkheid wordt hier dus voldaan.
  • Volgens de Raad van State wordt aan de evenredigheidseis vooralsnog niet voldaan. De effectiviteit van de maatregel moet worden onderbouwd aan de hand van een ‘analyse met specifieke gegevens’. Het beroep op algemene ervaringsregels is daarvoor onvoldoende.
  • De bewijslast voor de evenredigheid van de brancheringsbeperking ligt bij de gemeente.
  • De Raad van State stelt de gemeente in de gelegenheid om alsnog binnen zes maanden te onderbouwen dat er daadwerkelijk een minder leefbaar centrumgebied zal ontstaan als op de woonboulevard reguliere detailhandel wordt toegestaan. De onderbouwing moet bestaan uit “een analyse van de geschiktheid van de maatregel met specifieke gegevens”.

De Raad van State doet een aantal suggesties voor de vereiste onderbouwing:

  • Resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid elders, voor zover toepasbaar op de situatie Appingedam;
  • Gegevens uit koopstromenonderzoek;
  • Onderzoeksgegevens met betrekking tot de effecten van detailhandelsbeleid en brancheringsbeperkingen in krimpregio’s.

Na ontvangst van de aanvullende onderbouwing van de gemeente zal de Raad van State een definitief oordeel vellen over de verenigbaarheid van de brancheringsbeperking met de Dienstenrichtlijn.

Reageer op dit artikel