blog

‘Borrowed size’ helpt Nederlandse steden niet

Geen categorie

De laatste tijd klinkt er een nieuw buzz-woord in de discussies over de ruimtelijke ordening in Nederland namelijk: borrowed size. In het kort: Nederland ontbeert echt grote steden, maar door excellente verbindingen tussen de vijf grote steden onderling en met naburige buitenlandse steden kun je ‘lenen van de kracht van de buren’. Daarmee win je agglomeratiekracht en kunnen de Nederlandse steden volop meedoen in de internationale concurrentiestrijd. Is het echt zo simpel?

‘Borrowed size’ helpt Nederlandse steden niet

Steden zijn belangrijke vestigingsplaatsen voor bedrijven en stedelijke regio’s zijn dynamische motoren van economische groei. Twee constateringen in het recente advies ‘De toekomst van de stad’ van de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur, die kunnen worden onderbouwd met veel onderzoeksmateriaal. Bedrijven ontlenen agglomeratievoordelen van een locatie in de stad doordat ze bij elkaar klonteren en aldus profiteren van elkaars nabijheid. Er zijn twee hoofdcategorieën. ‘Lokalisatievoordelen’ ontstaan door regionale concentraties van bedrijven in dezelfde sector, bijvoorbeeld gespecialiseerde toeleveranciers of een arbeidsmarkt met specifieke competenties. ‘Urbanisatievoordelen’ ontstaan als bedrijven profiteren van vestiging in een regio waar allerlei bedrijven zijn geconcentreerd, omdat dichtbevolkte steden/regio’s vaak een goede infrastructuur, een ruime keuze op de arbeidsmarkt en een concentratie van kennisinstellingen bieden. Anders gezegd: lokalisatievoordelen hebben te maken met specialisatie, urbanisatievoordelen met verscheidenheid.

Omdat de Nederlandse steden in internationaal verband klein zijn, staan de bedrijven met 2-0 achter, omdat ze op internationaal competitieve markten zelf aanzienlijk minder profiteren van de hiervoor genoemde urbanisatievoordelen. Nu kent Nederland van oudsher een polycentrische stedelijke structuur met veel ‘medium-sized’ steden. Beleid waarbij alle pijlen worden gericht op een of twee steden is in Nederland niet denkbaar en haalbaar. Het Planbureau voor de Leefomgeving introduceerde een paar jaar geleden een strategie waarbij excellente verbindingen met krachtige regio’s ervoor zorgen dat je zelf een maatje groter wordt. In jargon: borrowed size.

Maar die excellente verbindingen zijn er toch al? Schiphol met een paar honderd bestemmingen waarheen direct kan worden gevlogen, prima aansluiting op de Europese autonetwerken en een HSL-infrastructuur (met uitzondering van een echte hoge snelheidstrein naar Duitsland), die snelle en frequente verbindingen mogelijk maakt. Ik kan me niet goed voorstellen dat nog betere internationale verbindingen de agglomeratiekracht substantieel verbeteren (‘wet van de afnemende meeropbrengst’). De Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur past de borrowed size-strategie toe op het niveau van daily urban system, zoals binnen de zuidvleugel of binnen de noordvleugel. Maar ook hier geldt dat die interne verbindingen vergelijkenderwijs goed zijn. Borrowed size-denken kan best helpen om bijvoorbeeld een betere aansluiting van Eindhoven op het internationale hogesnelheidsnetwerk te onderbouwen. Maar de echte concurrentiekracht zit hem toch meer in economische specialisatie.

Amsterdam of Rotterdam worden nooit Parijs of Londen, laat staan New York of Sjanghai. Maar Nederlandse stedelijke regio’s kunnen wél excelleren op bepaalde technologische domeinen. De economische kracht van Brainport Eindhoven wordt gevormd door bedrijven en gespecialiseerde kennisinstellingen op het gebied van high tech systemen. Die clusterkracht versterken – en dat geldt ook voor andere Nederlandse stedelijke regio’s – dát is de opgave in de internationale concurrentie. Alhoewel het concept van borrowed size sympathiek aandoet, is de kans groot dat daarmee de discussie over de internationale concurrentiekracht van de Nederlandse steden wordt verengd tot een infrastructuurdiscussie. Dat is oude wijn in nieuwe zakken. De Oeso constateerde in haar recente Territorial Review van Nederland verbaasd dat ons land geen ruimtelijk-economisch beleid meer heeft. Topsectoren en clusters stimuleren vindt plaats zonder de ruimtelijke concentraties daarvan als belangrijk uitgangspunt te nemen. Dáár wringt de schoen!

Rene Buck, directeur Buck Consultants International

Reacties naar rene.buck@bciglobal.com

Reageer op dit artikel