blog

Verhuurdersheffing: een keus tussen verleden en toekomst

Geen categorie

Twee weken nadat de Woonbond, Aedes en de VNG op basis van een door hen geïnitieerd onderzoek door het Centrum Onderzoek Economie Lagere Overheden (Coelo) van de Rijksuniversiteit Groningen de drie jaar oude verhuurdersheffing als een regelrechte ramp voor de branche hadden aangemerkt, kwam minister Blok – zoals werd verwacht – met een geheel tegengestelde opvatting. Zo gaat dat blijkbaar bij kwesties waarover de uitgangspunten al ten principale uiteen liggen.

De essentie van de bezwaren van de Woonbond, Aedes en de VNG tegen de verhuurdersheffing zijn makkelijk samen te vatten: de verhuurdersheffing is slechts een budgettaire maatregel geweest. Zij heeft dus niets met de woningmarktproblematiek te maken, gaat ten koste van de investeringen van de corporaties en leidt tot onnodige huurverhogingen die de zwaksten in onze samenleving nog verder raken. Daar komt nog bij dat het in essentie een vestzak-broekzakoperatie is voor de overheid. Want een belangrijk deel van de opbrengst van de verhuurdersheffing moet door dezelfde overheid weer worden uitgekeerd aan huurtoeslagen.

Blok ziet dat op basis van op basis van berekeningen van Ortec Finance totaal anders. De minister is van mening dat de verhuurdersheffing makkelijk door de corporaties kan worden opgebracht en dat de inmiddels opgelegde huurverhogingen het enorme probleem van scheefwonen aanpakt. Ook vindt hij dat de verhuurdersheffing niet kan worden aangemerkt als een excuus om niet meer te investeren in nieuwe sociale woningen en het opknappen van de oude woningvoorraad. Blok heeft berekend dat de woningcorporaties de financiële ruimte hebben om tussen 2016 en 2020 liefst 245.000 nieuwe sociale woningen te realiseren. Hij specificeert die investeringsruimte op een bedrag van 37,1 miljard euro.

Het grappige aan beide uitgangspunten is dat ze allebei min of meer waar zijn. Ik zie in de strijd die beide partijen nu aan het voeren zijn – ook via de media – vrijwel dezelfde tegenstellingen als die de afgelopen maanden werden genoteerd tussen de voorstanders van een Brexit en die binnen de EU willen blijven. Ofwel een keus voor de onvermijdelijke toekomst op langere termijn en een die vooral op de sentimenten van het verleden berust. Uit mijn woorden kan de lezer waarschijnlijk wel opmaken, dat ik de Brexit-aanhangers – die ook nog eens hebben gewonnen – daarbij vergelijk met de Aedes, gemeenten en de Woonbond, en Blok in het kamp van de Bremain plaats. Beide partijen hebben goede argumenten, voeren de strijd met verbetenheid en betrokkenheid, maar wat ook de uitkomst is, de consequenties zijn enorm.

Wat mij betreft zijn de uitgangspunten van Blok – en dus de coalitie – overtuigender. Daarbij gaat het niet eens zo zeer om de verhuurdersheffing. Dat is een eenzijdig opgelegd dwangmiddel, dat deze coalitie mede nodig had om de begroting weer op orde te krijgen. Ik hecht vooral belang aan de door de minister  aangemerkte investeringsmogelijkheden, die overigens nog groter zouden zijn als de corporaties actiever een wezenlijk deel van hun woningportefeuilles zouden verkopen aan institutionele beleggers.

Dat beide partijen zo tegenover elkaar zijn komen te staan, heeft alles te maken met de politieke realiteit. De huidige coalitie – die naar alle waarschijnlijkheid na de parlementsverkiezingen van komend jaar niet terugkeert – heeft zich de afgelopen vier jaar vooral druk gemaakt over het gezond maken van de overheidsfinanciën. Dat dat is gelukt, is al een groot compliment. Daarnaast is er – vooral bij het PvdA-deel van de coalitie – het besef gegroeid dat er anders moet worden aangekeken tegen de behoefte aan en betaalbaarheid van sociale woningen, en misschien zelfs het bestaansrecht van corporaties. Ik zou dat bestaansrecht in het geheel niet ter discussie willen stellen, maar denk eerder aan een herdefiniëring van het begrip sociale woningvoorraad en de behoefte aan sociale woningen. Dat moet leiden tot regionale herijking, het samengaan van corporaties, efficiënter optreden, het onmogelijk maken van avonturen die buiten de maatschappelijke taken liggen en het kritischer omgaan met de eigen kosten. Daar is de afgelopen vier jaar het nodige mee gebeurd en dat is zeker de verdienste van minister Blok geweest.

Te veel hangen in de praktijken van het verleden – zoals nu met de Brexit in het Verenigd Koninkrijk is gebeurd – is een heilloze weg. De corporaties moeten daarom niet doorgaan met het zeuren over de verhuurdershefffing maar de nieuwe realiteit met open vizier en een stevige handschoen aanpakken. Dat wil zeggen: minimaal 100.000 nieuwe sociale woningen neerzetten, samen met de gemeenten, om daar waar aantoonbaar een tekort is de noden te ledigen. Ouderen met slechts een AOW, studenten, starters, werklozen, statushouders en niet te vergeten de ‘nieuwe’ Nederlanders vanuit oorlogsgebieden hebben recht op die woningen, een voorwaarde om optimaal in onze samenleving te kunnen (blijven) functioneren. Het argument van de tegenstanders van Blok, dat mensen uit de lagere inkomens niet meer in staat zijn om hun sociale woningen te betalen vanwege de verhuurdersheffing is een emotionele benadering die nergens op slaat. Corporaties moeten er gewoon voor zorgen dat er voldoende van zulke woningen zijn, en daar hebben ze geld genoeg voor – of ze kunnen met gemak aan dat geld komen.

Ruud de Wit

Voormalig hoofdredacteur van Vastgoedmarkt. Deze column is gepubliceerd in Vastgoedmarkt van juli 2016 

Reageer op dit artikel