blog

Waarde in het economisch verkeer

Geen categorie

Het afgelopen decennium heeft de Nederlandse taxatieprofessie enorme stappen gezet. Taxateurs werken volgens internationale standaarden, worden geacht één marktwaardebegrip te hanteren en hebben met de accountants ‘goede praktijken’ ontwikkeld. Er komt ook één centraal register voor taxateurs. Allemaal goed nieuws. Het wordt dan ook tijd om eens te kijken of we in al dat ontwikkelingsgeweld onderweg misschien iets uit het oog hebben verloren. Wat mij betreft wordt het tijd het onderwerp ‘fiscaal taxeren’ weer eens af te stoffen. Dat is namelijk een onderwerp dat voortdurende aandacht verdient. Veel taxaties hebben nu eenmaal fiscale gevolgen. Aan bezit, exploitatie en verkoop van vastgoed zitten immers veel fiscale haken en ogen. Ik noem taxaties voor bezittingen in box 3, transacties tussen bv en directeur-grootaandeelhouder, transacties tussen gelieerde bv’s, afwaarderingen ten laste van het inkomen of de winst, overdrachtsbelasting, schenking en vererving van vastgoed. De financiële belangen zijn al snel te groot voor routinematige afhandeling.

Ik heb mij er het afgelopen jaar met meer dan professionele interesse in verdiept, wat resulteerde in het boek ‘Waarde in het economische verkeer’, de Wev, want dat is het centrale waardebegrip voor de fiscus. Het viel mij weer eens op hoe vaak het begrip wordt genoemd en wat voor bijzondere geschiedenis eraan vastzit. Het komt in 65 (fiscale en niet-fiscale) regelingen voor en wordt in 397 artikelen genoemd. We praten dan niet alleen over vastgoed, maar ook over andere objecten en passiva (verplichtingen, schulden). Waar de Wet op de Vermogensbelasting 1892 voor verschillende groepen vermogensbestanddelen een onderling verschillende maatstaf kende, werden in de Wet Vermogensbelasting 1964 bezittingen en schulden wat de waardering betreft onder één noemer gebracht. Alle vermogensbestanddelen werden, afgezien van een paar uitzonderingen, gewaardeerd naar dezelfde maatstaf: de waarde in het economische verkeer. Het betrof een nieuwe term die nog niet eerder was gebruikt in de vermogensbelasting en die onbekend was in de economische literatuur. Korte metten werd gemaakt met de begrippen als ‘verkoopwaarde’ en ‘geldswaarde.’ Die vond men veel te vaag. In feite werd er een grote schoonmaak gehouden, zoals we die een aantal jaren geleden hebben gezien ten aanzien van verschillende commerciële marktwaardebegrippen, toen de IVS-marktwaarde werd geïntroduceerd.

Als we het formele taalgebruik van de wetgever toentertijd wat zouden herformuleren naar moderne maatstaven, komen we verrassend dicht bij de toelichtingen die we nu zien bij de IVS-marktwaarde. Petje af wat mij aangaat. Men kende uit de fiscale praktijk en de rechtspraak al de bekende tegenstelling tussen de waarde voor een derde en de waarde voor de eigenaar zelf (vermogenswaarde, beleggingswaarde, affectiewaarde). Maar die toch vanzelfsprekende tegenstelling lijkt wat uit het oog te zijn verloren, want vaker dan gewenst moet de rechter zich uitspreken over wat men onder waarde in het economische verkeer moet verstaan. En dat terwijl de wetgever toch heel duidelijk was: ‘(…) voor zover aan de in aanmerking vermogensbestanddelen een affectiewaarde kan worden toegekend, [blijft] deze bij de waardering buiten beschouwing (…)’’ Inmiddels is de Wev veelvuldig aan bod gekomen in de rechtspraak en de literatuur, waardoor er een typische fiscale taxatiepraktijk is ontstaan. Ach, waren we maar dicht bij de wetsgeschiedenis gebleven.

Hopelijk houden we het IVS-marktwaardebegrip wél zuiver als de brand en blinkend als de kling en geven we er geen Nederlandse polderdraai aan.

 

Auteur: Tom Berkhout

Professor Real Estate Nyenrode Business Universiteit 

Dit artikel is gepubliceerd in Vastgoedmarkt van oktober 2015 

Reageer op dit artikel