blog

Halfslachtige rijksvisie op ruimtelijke ordening

Geen categorie

Minister Melanie Schultz van Haegen presenteerde in juni de Ontwerp-Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze bevat van alles, behalve een duidelijke structuurvisie op infrastructuur en ruimte. Het lijkt vooral een pleidooi om infrastructuur beter en gemakkelijker ruimtelijk in te passen.

Van de ruimtelijke ordening als integratie van allerlei sectorale belangen is – in ieder geval op rijksniveau – weinig meer over. Nee, de burger weet het nu per definitie het beste, dus is decentralisatie het parool. Het Rijk zoekt daarmee een bescheiden rol in de ruimtelijke ordening, wat te begrijpen is als er een rechts kabinet aan het bewind is en bovendien fors moet worden bezuinigd op ruimtelijke investeringen.

De SVIR, zoals de Structuurvisie wordt afgekort, wil ruimte maken voor groei en beweging. Minister Schultz was bij de presentatie welhaast agressief in haar analyse: ‘Nederland dreigt vast te lopen. Vast bij het vernieuwen en ontwikkelen van steden en gebieden. Vast in regels en procedures die initiatieven van burgers, bedrijven en regio’s afremmen. Vast op de weg en op het spoor. Vast in de concurrentiestrijd met andere landen. Vast in het vinden van antwoorden op de opgaven van nú. Daarom moet het roer om. Ik wil ruimte maken voor groei en voor beweging. Maximale ruimte voor iedereen om flexibel in te spelen op de eigen situatie.’

Voortaan gaat het Rijk niet meer uit van het adagium ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ (vorige Nota Ruimte), maar ‘decentraal, tenzij’. De huidige praktijk was overigens vooral ook centraal wat moet en de ambitie om centraal te corrigeren wat decentraal in de regio’s wordt ‘aangericht’. Radicaler RO-taken bij provincies neerleggen hoeft niet op voorhand slecht uit te pakken, want provincies komen tot zorgvuldige, democratisch gelegitimeerde ruimtelijke planning. Ik ben ook niet bang dat de koers van bundelen & verdichten overal in de prullenbak wordt gegooid, nu ‘Den Haag’ dit recept niet meer bindend voorschrijft. Wél problematisch vind ik dat het Rijk de budgetten voor gebiedsontwikkeling, spoorzoneprojecten, herstructurering bedrijventerreinen, et cetera – op een enkele uitzondering na – afschaft. Rijkstaken decentraliseren als het geld op is, dat is een vervelende ‘Haagse’ gewoonte. En op dit moment op ‘de markt’ of bezuinigende lagere overheden rekenen om gewenste ruimtelijke investeringen te realiseren, grenst aan een fata morgana.

Het Rijk is overigens niet helemaal weg, want als nationale belangen ziet zij onder andere de ontwikkeling van de drie stedelijke kernregio’s Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven, plus alle hoofdinfrastructuur, alle luchthavens, alle zeehavens, alle energie-infrastructuur: dat is nog best een aardig lijstje. Hoe de verhoudingen worden tussen Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven, de betreffende stedelijke regio’s (een bestuurslaag die het kabinet-Rutte al in het regeerakkoord aankondigde te gaan opheffen), de drie provinciebesturen en het Rijk is volstrekt onduidelijk. Rutte & Schultz zeggen ‘je gaat erover of je gaat er niet over’, maar wat betekent dat dan bij (bijvoorbeeld) de ontwikkeling van Schiphol, de Zuidas, de technologiecampussen in de regio Eindhoven of de intermodale verbindingen tussen Rotterdam en Antwerpen? Wie gáát er dan over?

Samengevat, de decentralisatiefilosofi e is nog wel te begrijpen, maar niet het gebrek aan bestuurlijke duidelijkheid en financiële daadkracht om van die decentralisatie een succes te maken.

Positieve elementen in de SVIR zijn het ophogen van infrastructurele investeringen, erkenning van regionale verschillen (groeiregio’s vergen een andere insteek dan krimpregio’s), het belang van de economische component (al is de ruimtelijke ordening toch vooral indirect van belang voor economische ontwikkeling), het schrappen van vaak tegenstrijdige regels en het beter benutten van de bestaande infrastructurele netwerken (variërend van buiten de spits openstellen van spitsstroken tot en met meer fi etsenstallingen bij stations). In dit rijtje past ook de introductie van een ‘ladder’ voor duurzame verstedelijking (Moet deze ontwikkeling wel? Kan het in bestaand gebied? Indien die vragen met respectievelijk ja en nee zijn beantwoord dan graag zorgvuldige, duurzame multimodale realisering).

Waar de nota de plank misslaat is het gebrek aan aandacht voor de steden of stedelijke regio’s. Steden bepalen de economische toekomst, zijn broedplaatsen van innovatie en concentraties van talent. Het Centraal Planbureau schreef daar vorig jaar nog een interessant rapport over. Het Rijk heeft echter aan de steden buiten de drie stedelijke regio’s geen boodschap. Terwijl de wetenschappelijke literatuur zich opstapelt over het belang van aantrekkelijke steden voor de concurrentiekracht van landen, kijkt het kabinet de andere kant op. Vrijwel geen aandacht ook voor de woningmarkt, voor de arbeidsmarkt, voor het onderwijs en cultuur. Nee hoor, als de bereikbaarheid – vooral dan toch over de weg – maar oké is, dan komt de rest (lees: economische groei) vanzelf. Wat een onderschatting van de bepalende factoren van een internationaal concurrerend vestigingsmilieu!

Deze column is eerder gepubliceerd in Vastgoedmarkt augustus 2011

Reageer op dit artikel