nieuws

Overdrachtsbelasting: splitsing blijft zakelijk, ondanks latere verkoop

Financieel

Overdrachtsbelasting: splitsing blijft zakelijk, ondanks latere verkoop
Remco van der Zwan

De Hoge Raad heeft vrijdag 13 september 2019 een belangrijk arrest gewezen over de splitsingsfaciliteit (vrijstelling) in de overdrachtsbelasting.

Het ging hier om een bedrijf dat wilde stoppen met bepaalde activiteiten. Zij bracht deze activiteiten met het een flink aantal bijhorende vastgoedlocaties via afsplitsing onder in een aparte BV. Deze BV werd direct daarna verkocht aan een derde die de activiteiten wel wilde voortzetten. Vraag was of de BV bij de afsplitsing recht had op de vrijstelling overdrachtsbelasting. Belastingplichtige en EY vonden van wel, de Belastingdienst vond van niet omdat de BV direct na de splitsing werd verkocht aan een derde.

Als een bedrijf vastgoed afsplitst, maar de aandelen in die vennootschap binnen drie jaren verkoopt, dan dient de afgesplitste partij te bewijzen dat de splitsingsfaciliteit van toepassing blijft. Er moeten dan zakelijke redenen zijn geweest voor de splitsing.

De Hoge Raad oordeelt dat de splitsingsvrijstelling hier wel van toepassing is. In hoger beroep was namelijk vast komen te staan dat het bedrijf zakelijke overwegingen had voor deze splitsing en dat fiscale redenen geen rol hadden gespeeld bij de transactie. De zakelijke overwegingen waren ondermeer het voorkomen van vele en langdurige contractonderhandelingen voor de locaties van het vastgoed, milieuaansprakelijkheden en de overname van het personeel dat bij een activa/passiva transactie veel moeilijker, zoniet onmogelijk zou zijn, dan bij een afsplitsing en een aandelendeal. Het verkoopvoornemen – dat bij de splitsing bestond – doorkruist de zakelijke overwegingen niet, aldus de Hoge Raad. Ook trekt de Hoge Raad een parallel met de vennootschapsbelasting voor de gelijkluidende regeling en toepassing van het Bulkgas-arrest.

Belang praktijk

Tot nu toe was de mening van de Belastingdienst en veel andere partijen dat een verkoop binnen drie jaar volgend op een splitsing, leidde tot het vervallen van de vrijstelling overdrachtsbelasting bij splitsing. Men paste de vrijstelling in dergelijke gevallen daarom niet vaak toe of men moest drie jaar wachten.

De Hoge Raad bepaalt nu duidelijk dat een latere verkoop (binnen drie jaar) niet relevant is. Maar er moet dan wel sprake zijn van (overwegend) zakelijke motieven voor de splitsing. Voorbeelden hiervan zijn herstructurering en het rationaliseren van de actieve werkzaamheden, zoals ze dat zo mooi zeggen.

Het verkopen en/of verkoop klaarmaken van een gedeelte van een onderneming door middel van een afsplitsing kan dus nog steeds passen in deze zakelijke overwegingen. De bewijslast verschuift echter wel naar de belastingplichtige, omdat het wettelijke vermoeden bestaat dat een verkoop binnen drie jaar na de transactie gericht is op het ontgaan van belastingheffing tenzij.

Het arrest biedt mogelijkheden voor de praktijk; ook wanneer een gedeelte van een onderneming wordt overgedragen na afgesplitst te zijn. Daarnaast is de link tussen de overdrachtsbelasting en de vennootschapsbelasting weer belangrijk omdat men voor de overdrachtsbelasting moet aansluiten bij de regeling in de vennootschapsbelasting met dezelfde zakelijke overwegingen.

Omdat de overdrachtsbelasting normaliter voor rekening is van de verkrijger (de BV naar wie het vastgoed wordt afgesplitst), is het in de praktijk van belang om ten tijde van de splitsing zowel de overwegingen van de overdrager als de verkrijger te weten. Zeker als een verkrijgende BV later wordt overgedragen. Fiscaal en commercieel kunnen de belangen ook groot zijn. Dit arrest biedt in ieder geval handvatten.

Over de auteur
Remco van der Zwan is partner Ìndirecte Belastingen bij EY.

Reageer op dit artikel