blog

Besluit Achterhaalde Waarden (2)

Financieel

In het Besluit actuele waarde, dat regels geeft over de waardering tegen actuele waarde in de jaarrekening, hebben we afscheid moeten nemen van het begrip vervangingswaarde. Dat moest van Brussel.

Besluit Achterhaalde Waarden (2)
Tom Berkhout

Nu kennen de vervangingswaardetheorieën en het vervangingswaardebegrip in Nederland een lange traditie. In de eerste helft van de vorige eeuw werden hele stammenoorlogen tussen wetenschappers gevoerd over Limpergs beslissingsboom, waarin ook begrippen voorkwamen als directe- en indirecte-opbrengstwaarde. In fundamentele discussies over waarde en waarderen, als het er echt om gaat, komen die aloude theorieën nog steeds van goed pas om zicht te krijgen op de kern van de vraagstukken. Is het daarom jammer dat de vervangingswaarde aan status verliest doordat het uit een regeling geschrapt is?

Het oude besluit verstond onder de vervangingswaarde: het bedrag dat nodig zou zijn om in de plaats van een actief dat bij de bedrijfsuitoefening is of wordt gebruikt, verbruikt of voortgebracht, een ander actief te verkrijgen of te vervaardigen dat voor de bedrijfsuitoefening een in economisch opzicht gelijke betekenis heeft. In de taxatiepraktijk is het behoorlijk lastig om een vervangingswaarde vast te stellen waar het om specifieke, incourante objecten gaat. De taxateur past de kostenmethode toe, gaat uit van een modern equivalent asset en past daarop allerlei afslagen toe voor technische en functioneel-economische veroudering. De juistheid van het resultaat van dit deel van het taxatieproces is niet of nauwelijks te verifiëren. Daarom moet de taxateur een rendementstoets uitvoeren: wordt de berekende waarde geschraagd door toekomstige geldstromen?

Voor de vervangingswaarde is de ‘actuele kostprijs’ in de plaats gekomen als invulling van een EU-richtlijn die spreekt van ‘geherwaardeerde waarde’. Daarvoor kan worden gekeken naar de actuele kosten waartegen een actief kan worden gekocht, dan wel naar de actuele kosten om het actief te produceren. Het is de actuele verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs van het actief in nieuwe staat, verminderd met de afschrijvingen. De actuele kostprijs wijkt af van de vervangingswaarde, omdat men daarmee kijkt naar het actief dat al in bezit is van de rechtspersoon. Voor de vervangingswaarde keek men naar een ander, vervangend actief, maar dat perspectief is met de actuele kostprijs verdwenen. De actuele kostprijs wijkt verder af van de historische kostprijs, doordat de actuele kostprijs rekening houdt met prijsveranderingen na verkrijging of vervaardiging.

Maar wat nu als hetzelfde object niet meer verkrijgbaar of reproduceerbaar is? Hoe weten we dat er voldoende afgeschreven is? Hoe weten we of een object niet tegen een geflatteerde waarde op de balans staat en dat investeerders daarmee op het verkeerde been worden gezet? Daarom is bepaald dat een object met een lagere bedrijfswaarde en opbrengstwaarde (marktwaarde) dan de actuele kostprijs, tegen de hoogste van de twee genoemde waarden moet worden gewaardeerd. Mogelijk denken accountants dat het lood om oud ijzer is, maar taxateurs en waardeerders denken daar anders over. In de taxatie- en waarderingstheorie en -praktijk heeft de vervangingswaarde namelijk grote betekenis; mits voorzien van een rendementstoets. Enfin, of een en ander er eenvoudiger op is geworden, moet de toekomst leren. Niet iedere verandering is immers een verbetering. Misschien dat we over enkele jaren de traditionele begrippen weer op hun werkelijke waarde weten te schatten. En is de vervangingswaarde van het begrip ‘actuele kostprijs’ nihil geworden.

Tom Berkhout

Professor Real Estate Universiteit Nyenrode

Reacties naar t.berkhout@nyenrode.nl

Reageer op dit artikel