nieuws

24-uurseconomie: vrije keuze van winkeliers?

Beleggingen

Openingstijden van winkels zijn nog steeds een onderwerp in de politiek. Dit heeft geleid tot een conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Winkeltijdenwet.

24-uurseconomie: vrije keuze van winkeliers?
Passage Winkelcentrum Presikhaaf in Arnhem

Enige tijd geleden was er wat ophef over de openingstijden voor winkeliers. In Vastgoedmarkt van maart 2018 is hier door Dentons Boekel aandacht aan besteed en is onder meer stil gestaan bij rechtspraak over Winkelcentrum Paddepoel in Groningen en twee andere procedures over de Primera en een fietsenwinkel. Omdat het wetsvoorstel 30 oktober 2018 ter consultatie is gelegd en de inspraaktermijn loopt tot en met 28 november aanstaande, besteden wij kort aandacht aan de inhoud en strekking van het wetsvoorstel.

Hoe zat het ook alweer?

De Winkeltijdenwet is in 2013 ingrijpend veranderd. Uitgangspunt is dat het in beginsel verboden is om een winkel open te hebben op zondagen en andere feestdagen en op werkdagen tussen 22.00 uur en 6.00 uur. Iedere gemeente kan zelf bepalen of en hoeveel dagen winkels (bijvoorbeeld op zondag) open mogen. Dit verbod geldt niet voor winkels in ziekenhuizen, luchthavens, (benzine)stations, wegrestaurants en kiosken (vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet). Het doel van de wet is om te bepalen wanneer winkeliers open mógen zijn en niet wanneer zij open móeten zijn.

In het ROZ-model voor 7:290 BW bedrijfsruimte (2012) wordt in de algemene bepalingen (artikel 9.7 AB) standaard stil gestaan bij openingstijden: ‘(…) voor het publiek geopend houden en daarin daadwerkelijk zijn bedrijf uit te oefenen:

  • (…)
  • Indien het gehuurde deel uitmaakt van een winkelcentrum of winkelstraat ten minste gedurende de door verhuurder, na overleg met huurder, te bepalen reguliere openingstijden. Bij aanwezigheid van een winkeliersvereniging stelt verhuurder de reguliere openingstijden vast na overleg met die vereniging. Verhuurder zal daarbij rekening houden met de aard van het in het gehuurde uitgeoefende bedrijf. De kosten die zijn verbonden aan eventuele ruimere openingstijden dan de hiervoor bedoelde openingstijden zijn voor rekening van de huurders die van die ruimere openingstijden gebruik (moeten) maken.

De standaard boeteregeling van artikel 31 AB ziet ook op schending van artikel 9.

De ROZ biedt op zijn website een alternatieve bepaling aan om huurders tegemoet te komen die uit geloofsovertuiging of om andere gegronde redenen hun winkels niet op zon- of feestdagen geopend willen houden: ‘In geval de reguliere dan wel gebruikelijke openingstijden als bedoeld in artikel 9.7 van de algemene bepalingen een of meerdere zon- en/of feestdagen omvatten, is huurder jegens verhuurder niet gehouden het gehuurde voor het publiek geopend te houden op deze zon- en/of feestdag(en), indien en voor zover huurder daartoe een onderbouwd verzoek heeft gedaan aan verhuurder en verhuurder schriftelijk met dat verzoek heeft ingestemd. Verhuurder zal haar instemming niet op onredelijke gronden onthouden.

Wat hangt er in de lucht?

Het conceptwetsvoorstel is afkomstig van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het voornemen daartoe was reeds aangekondigd door de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Kamerstukken II 2017/18, 34647, nr. 4). Het wetsvoorstel raakt de volgende doelgroepen: winkeliers, winkeliersverenigingen, verenigingen van eigenaar en verhuurders van winkelpanden.

Het doel van het wetsvoorstel is om de keuzevrijheid van de winkelier over openingstijden te verankeren, binnen de grenzen van de bij of krachtens de Winkeltijdenwet vastgelegde openingstijden. Winkeliers kunnen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel niet gehouden worden aan bestaande en nieuwe besluiten van derden over openingstijden waarmee zij niet uitdrukkelijk hebben ingestemd. Het wetsvoorstel behelst het toekennen van een extra recht of waarborg voor de winkelier door de beslissingsbevoegdheid uitdrukkelijk en zonder onduidelijkheden bij de winkelier te leggen. Op deze manier verwacht men dat er een minder (dwingende) coördinatie mogelijk is voor gezamenlijke openingstijden in een winkelgebied.

Ter consultatie is gelegd: een conceptwetsvoorstel, een concepttoelichting en een integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving IAK. Kort gezegd beschrijft dat laatste document waarom overheidsinterventie nodig is, wat het beste instrument is en wat de gevolgen voor de overheid, burger en bedrijven zijn. Men stelt bijvoorbeeld vast dat de gevolgen van het wetsvoorstel merkbaar kunnen zijn voor consumenten.

Voorgesteld wordt een nieuw artikel (artikel 10) in te voeren: ‘1) Onverminderd de artikelen 2, 3, 6 en 8, is een besluit over openingstijden dat is genomen door een ander dan de eigenaar of beheerder van een winkel nietig, indien deze daar niet uitdrukkelijk mee heeft ingestemd. 2) De nietigheid geldt voor besluiten die zijn genomen voor de datum van inwerkingtreding van het eerste lid, vanaf die datum.

Het wetsvoorstel richt zich dus met name op besluiten van verenigingen van eigenaars dan wel winkeliersverenigingen waar besluiten veelal bij meerderheid van stemmen (de stemverhouding al dan niet gebaseerd op basis van winkeloppervlakte) worden genomen. In de toelichting wordt expliciet verwezen naar de eerder aangehaalde uitspraak over het Groningse winkelcentrum Paddepoel (en naar het maatschappelijke debat dat draait om te vraag of kleine winkeliers door derden verplicht kunnen worden hun winkel open te stellen) alsmede naar de regeling in het ROZ-model dat hiervoor is aangehaald.

Weliswaar biedt het ROZ-model ruimte voor maatwerk, er is geen verplichting het model te volgen en onduidelijk is wanneer een verzoek geweigerd wordt, aldus de Staatssecretaris. In die zin werkt de ‘zelfregulering’ onvoldoende. Uit de toelichting blijkt tenslotte dat er een mkb-toets is uitgevoerd. Het panel verwacht dat het voorstel geen invloed zal hebben op ongelijke onderhandelingsposities tussen kleine winkeliers en vastgoedorganisaties. Ook vreest men verschraling van het aanbod op A-locaties met enkel aanwezigheid van grote winkelketens.

Wat zijn de gevolgen?

Als het wetsvoorstel in huidige vorm wordt aangenomen, zullen bestaande besluiten over openingstijden waarmee de winkelier niet uitdrukkelijk heeft ingestemd vallen onder dit wetsvoorstel. De nietigheid is op dit moment beperkt tot de periode vanaf de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Rechtsgevolgen (denk aan contractuele boetes) blijven in stand, voor zover deze betrekking hebben op de periode voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Cornelie Arnouts.jpgHet wetsvoorstel is nog niet ingediend en de inspraakreactie loopt nog tot en met 28 november 2018. Het verdient aanbeveling om als vastgoedprofessional te anticiperen op deze wetswijziging, dan wel gebruik te maken van de inspraakmogelijkheid. Voor beleggers en eigenaars van winkelcentra (dan wel populaire straten) zit er anders niets anders op dan per individuele huurovereenkomst met iedere huurder afzonderlijk overeenstemming te bereiken over de openingstijden.

Over de auteur:
Cornélie Arnouts MRE Mrics is vastgoedadvocaat en partner bij Dentons Boekel in Amsterdam.

Deze analyse verscheen in Vastgoedmarkt van november 2018.

Reageer op dit artikel