nieuws

Koopwoning in twintig jaar 144 procent duurder

Geen categorie

Een gemiddelde koopwoning is in twintig jaar tijd 144 procent in waarde gestegen. Gecorrigeerd voor inflatie bedroeg de reële prijsontwikkeling 60 procent, terwijl het inkomen gecorrigeerd voor inflatie in dezelfde periode slechts 14 procent is gestegen. De netto woonlasten zijn sinds de piek eind 2008 met 45 procent gedaald.

Deze cijfers zijn afkomstig van Calcasa,  een technologiebedrijf gespecialiseerd in de statistische analyse en waardering van onroerend goed. Dit bedrijf maakt de WOX, de woningprijsindex van Nederland. 

De grootste stijging van de gemiddelde woningwaarde vond de afgelopen twintig jaar plaats eind jaren negentig en begin 2000. In 1998 noteerde de voor inflatie gecorrigeerde WOX nog 125 punten, drie jaar later in 2001 stond deze al op 173 punten: een toename van liefst 38 procent. Tot aan de kredietcrisis van 2008 stegen de woningprijzen door. De crisis zorgde voor een daling van de woningwaarde met 21 procent in de periode 2008-2013. In de periode 2008-2014 is sprake van een daling van het gemiddeld inkomen met 4 procent. Sinds 2013 stijgt de WOX woningprijsindex weer.

De Amsterdamse woningprijzen hebben zich het meest volatiel getoond. Ze stijgen in florerende tijden het hardst, maar ze dalen in crisistijden crisis ook vaak sterker dan in andere steden. Alle vijf de grote steden hebben een reële prijsontwikkeling laten zien die het Nederlandse gemiddelde (Wox = 160) overtreft. Amsterdam noteert eind 2015 op 220 punten, Utrecht 190, Rotterdam en Den Haag zo’n 170 en Eindhoven 165.

Calcasa noteert in 2015 een prijsstijging ten opzichte van 2014 van 4,5 procent voor de gemiddelde Nederlandse woning. De snelste groei vond plaats in Noord-Holland (7,7 procent), Flevoland (6,6 procent) en Utrecht (6 procent), de laagste groei was in Gelderland (2,1 procent), Overijssel (2,3 procent) en Limburg (2,5 procent). Per regio stegen de woningprijzen in 2015 het hardst in agglomeratie Haarlem (10,15 procent) en Groot-Amsterdam (10,1 procent). Kleinste stijger was Noord-Limburg (0,8 procent).

Eind 2015 bereikt de betaalbaarheidsindex het laagste niveau in twintig jaar. Een huishouden geeft nu gemiddeld 16,5 procent van zijn netto huishoudinkomen uit aan woonlasten. Dit is een vermindering van 44,8 procent sinds de piek in 2008. In 1995 geeft een gemiddeld huishouden 20 procent van zijn netto huishoudinkomen uit aan netto woonlasten. Eind jaren negentig, met forse prijsstijgingen, stijgt ook het bedrag dat een gemiddeld huishouden moet uitgeven aan netto woonlasten.

Halverwege 2001 zijn de netto woonlasten opgelopen tot 27 procent van het netto huishoudinkomen. Op de piek van de woningmarkt eind 2008 besteedde men 30 procent van het inkomen aan woonlasten. Sinds die tijd is de betaalbaarheid sterk verbeterd als gevolg van enerzijds de dalende woningprijzen en anderzijds de steeds lagere hypotheekrente. 

 

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels